3ledige geestesschool

Mogelijkheden tot het vormen van een vernieuwde hogeschool

 

Vanuit Fjodor is er een visie op de wetenschappen vanuit geestelijk perspectief ontwikkeld vanuit de astrosofie.

In de twintiger jaren van de twintigste eeuw startte Rudolf Steiner met de instelling van de nieuwe mysteriën als cultuurgenezende impuls, tegelijk een hogeschool voor geesteswetenschappen. Deze omvatte zeven secties, te weten de muzische, de sociale, de pedagogische, de medische, de wiskundig-astronomische en de plastisch-beeldende. Dit veelal vanwege de mensen die zich rond Steiner hadden verzameld, met de hen eigen talenten, mogelijkheden en in zich dragende geestelijke impulsen (later zijn deze sekties uitgebreid met nog enige andere). Na zijn dood zijn door allerlei interne strubbelingen de zaken minder helder geworden. Deze laat ik hier even voor wat ze zijn, om vooral vanuit de huidige situatie van ondoorzichtigheid in de wetenschappen op onderzoek en onderwijs in te gaan.

Om hierin duidelijkheid te scheppen, is het mogelijk om vanuit de mens de wetenschappen te benaderen. Uitgangspunt is daarbij die menselijke lichamelijkheid waarmee deze bewust met zijn geestkiem, zijn ik is; het zielelichaam. De ziel heeft drie functies; denken, voelen en willen. Deze zijn een weerslag van respectievelijk de wereld van de geest (denkactiviteit; ideeën waarnemen), die van de ziel zelf (voelen, gewaarworden van gevoelens en onderscheiden) en die van het leven; de wil die zich in ons handelen uit (met de wil kan men ritmisch zijn impulsen, strevingen en idealen trachten te verwezenlijken in de  fysieke wereld).

De wetenschappen zijn als volgt naar deze drie menselijke bewustzijnsfuncties te herschikken:

 

*De α-wetenschappen: deze zetten zich uiteen met de geestelijke fenomenen en functies van mens en wereld, dus die welke vooral in het denken naar voren komen;

-De talen en hun grammatica, als uitdrukkingen van de menselijke geest.

Dit is onderzoek van de geesteswil (o.a. in literatuur) en haar werkingen in de cultuur. Hieronder valt ook cultuur/kunstgeschiedenis.

-Logica en filosofie, met hie

rin de geestwerking in het gevoel; als het gezond is, worden gedachten en gedachtegangen getoetst aan het gevoel voor waarheid (dit is wat de louter verstandscultuur heeft verloren).

-Wiskunde; de concepten van de geestwereld, de ideeën, in hun uiteindelijke ruimtelijke weerslag in maat, gewicht en/of getal, ofwel zich door werkingen als krachtverhoudingen, die bewegingen in die ruimte kunnen openbaren.

-Muziek/harmonieleer; de geestelijke wetmatigheden die zich in de muzikale onderdelen maat, ritme, tonaliteit, alsmede in contrapunktie uitdrukken.

 

*De γ-wetenschappen zetten zich uiteen met de zielewereld der innermenselijke, der tussenmenselijke verhoudingen en de verbindingen van de mens met de wereld der cultuur:

-de psychologie onderzoekt de innermenselijke ontwikkeling; de fenomenen in de menselijke ziel zelf.

-de sociologie onderzoekt de tussenmenselijke betrekkingen en gedragingen.

-de pedagogie onderzoekt de wetten en werkingen van menselijke groei door zijn leeftijdsfasen heen.

-het rechtswezen onderzoekt de menselijke individualiteit en zijn plaatsing op de aarde, tussen de andere mensen in; heeft te maken met deze interactie (wanneer dit vakgebied op waarde en waarachtigheid zou worden toegepast). Hieronder is ook de politocologie te scharen.

-de geschiedenis benadert de mens en zijn relatie tot de door hem als cultuurvoorwaarden geschapen overlevingsstrategieën.

-sociale geografie en antropologie beschouwen mens en volk in hun relatie tot de plaats op aarde waar zij wonen, en in hun culturele ontwikkeling.

-de economie benadert en onderzoekt de menselijke gedragingen om op basis van uit de natuur verkregen middelen voor zichzelf en zijn omgeving een in het fysieke gegrondvest bestaan op te bouwen; alsook het goederenverkeer dat hij daarbij ontwikkelt.

 

*De β-wetenschappen onderzoeken de wereld der verschijnselen in en om ons heen als zijnde gemanifesteerde wil, welke zich tot in het fysieke uit kan drukken.

-de biologie onderzoekt de gedragingen van het leven (wat zich niet louter beperkt tot de verrichtingen en verdichtingen van substanties als voetstappen van levensvoorgangen, zoals heden vrijwel uitsluitend gebeurt).

-de natuurwetenschappen onderzoeken de wereld der fysieke manifestaties:

*astronomie – bewegingen van en onderzoek naar hemellichamen.

*scheikunde – de dans der stoffen in de natuur.

*natuurkunde – de werkingen der substanties en krachten in het aardse;

*hieronder zijn ook de geologie en klimatologie te schikken.

-de techniek ontwikkelt op genoemde gebieden praktisch maatschappelijke toepassingen:

*informatica

*kinetische technieken

*bouwkunde

 

Al deze richtingen kunnen aanleiding geven tot de theognomie; het door de verbinding met de verschijnselen heen zich innerlijk ontwikkelen, waardoor men kan leren in het ervaren en doen hoe de engelen eruit zien en werken, en uiteindelijk hoe God werkt door Zijn schepping. Hieronder valt de  levendige leer der engelhiërarchieën, die van de natuurwezens, hun onderlinge verbindingen en hun werk in en aan mens en geopenbaarde wereld.

Hierbij is alleen getracht om verhoudingen tot de mens aan te geven, om te kunnen onderkennen op welk wezensgebied men zich beweegt, en welke wetmatigheden men dan ook kan tegenkomen. Het is niet de bedoeling om de neiging tot interdisciplinair onderzoek terug te draaien, maar juist om de wetmatigheden hierbinnen duidelijk te kunnen krijgen.

Er is uitgegaan van de fysieke wereld als zijnde een weerslag van de hogere werelden, en niet van de oorzaak der verschijnselen vanuit zichzelf. Dat schept de nodige duidelijkheid, en geeft sleutels tot werkelijk begrip en onderzoeksmethodiek voor werkingen in en aan de aardse werkelijkheid. De vernieuwde sterrenkunde kan daar een nieuw licht op laten schijnen, en het invatten in een omvattend kader.

 

Nadere invulling vanuit de astrosofie

In 1923 is door Rudolf Steiner het initiatief gestart tot de nieuwe mysteriën,ë vanuit de antroposofie. Daartoe nodigde hij toen bijna duizend vertegenwoordigers uit van zeer uiteenlopende geestelijke richtingen over de gehele wereld, die toen ‘ja’ hebben gezegd tegen deze impuls. Naast een fysiek bouwsel en sociale organisatiestructuren, richtte hij toen ook in de vrije hogeschool voor geesteswetenschappen, die aanvankelijk opgezet diende te worden in zeven secties, onderdelen. Hieronder geef idd deze aan met betrekking tot de planetaire beïnvloeding:

*Natuurwetenschappen                                        (maan)

*Geneeskunde                                                          (Mercurius)

*Schone wetenschappen                                     (Venus)

*Algemene of sociale sectie, later uitgebreid met jeugdaangelegenheden en opvoeding (zon)

*Muziek en spraak, eurythmie                             (Mars)

*Plastische kunsten                                                (Jupiter)

*Astronomie en wiskunde                                    (Saturnus)

Hij gaf ook scholingsmethoden op voornamelijk imaginatief gebied; de gebieden van inspiratie en intuïtie werden enkel als richtingen aangeduid. Nu waren er in de oudheid twee stromingen in geestelijke opzicht: de mysteriën van het licht – deze leidden tot helderziendheid, imaginatie. En die van de duisternis – die leidden tot inspiratie/helder voelen en horen; en van intuïtie/helder willen. Deze mysteriestromen waren strikt gescheiden. Door Christus aan het kruis zijn deze samengevoegd doordat hij zijn moeder en leerling Johannes met elkaar verbond: “Zoon zie uw moeder, moeder zie uw zoon”. De moeder was helderziende geworden in haar staande blijven in het lijden van haar zoon; Johannes was de opgestane Lazarus, een zanger die inspiratie was ingewijd door diens dood en opstanding. Beiden dienen te kijken naar elkaar. Op zieleniveau is vrijheidsontplooiïng mogelijk, op levenslichaamsniveau de ontplooiing van liefde door inleven en doen, waardoor wij geesten van vrijheid en liefde kunnen worden (en Maria en Johannes zijn hier oerbeeld geweest voor dat wat ieder mens in zich en met elkaar kan ontwikkelen om tot volwaardig mens te kunnen worden); de moeder door te zien wat de zoon doet in de levenswereld en dit te begrijpen, de zoon door de bewuste inzichtskrachten van de moeder te gebruiken om waar te kunnen nemen wat hij doet en te onderscheiden waarheen zijn daden in de levenswereld hem leiden. Beide hebben elkaar nodig, maar zijn sterk van elkaar verschillend. De moeder neemt de geest-werking waar met en vanuit de zielewereld en de daarop gerichte waarnemingsorganen (basaal dus de gevoelens); de zoon neemt in zijn sturen en doen de kiemen en processen in de levenswereld waar, en zijn inzichten openbaren zich enkel na het doen (omdat hij dan pas rond het gebaar, dat een levens-vormkracht is, een huidje van lichtether kan vormen).

Vroeger werden de moeder- en de zoonmysteriën gescheiden in de lichte (geestkelk ofwel geestzelf) en de duistere (geestsubstantie, wijn en brood, levensgeest en geestmens). Steiner heeft getracht deze bijeen te brengen bij de grondsteenlegging tijdens de kerstbijeenkomst in 1923, maar zijn uitwerking en invalshoek bleef bij die van de moeder, antropo-Sofia – de op de mens geënte moeder Sofia, welke dus door elke mens in zich is te verwezenlijken. Moeder zie uw zoon. De andere kant, de zoon-, Woord- ofwel Logosmysteriën horen bij de duistere mysteriën. Zoon zie uw moeder.

Nu heeft mijn karmische onderzoek ertoe geleid in te zien dat beide mysteriestromen, alsook twee andere die hier niet expliciet zijn genoemd, door hun geestelijk leider en hoofdvertegenwoordiger bij de genoemde stichting van de nieuwe mysteriën, kerstbijeenkomst 1923, aanwezig en in het bestuur vertegenwoordigd waren. Met recht was hier dus sprake van de nieuwe mysteriën, die door het wereldkundig maken ervan, sindsdien in principe een openbaar karakter hebben gekregen (in tegenstelling tot die van de oudheid, waar openbaring van waarnemingen en inhouden strikt verboden was – hierop stond de doodstraf). Hiervan is de antroposofie zelf er slechts eén, namelijk die van de moeder (Sofia). Door de ruzies binnen bestuur en vereniging na Steiners dood vrij kort daarop, zijn er twee hoofdvertegenwoordigers uitgezet, waaronder de drager van de woord- ofwel zoonmysteriën. Daardoor is de antroposofische vereniging, de AAG, helemaal niet meer de draagster van de nieuwe mysteriën, enkel van de antroposofie in engere zin, en dat nog wel in een richting die weinig open en daardoor nogal bedenkelijk is. Ik heb het bange vermoeden dat de huidige vertegenwoordigers erop uit zijn om Steiner zelf uit deze vereniging te bannen (zoals in de afstandname van Steiner op grond van vooropgesteld racisme is gebeurd door het Nederlandse verenigingsbestuur).

Wat behelst dan die aanvulling, duistere mysteriën, Woord- of mensenzoon-kant van de oorspronkelijke vernieuwde mysteriën? Daartoe helpt de eerste reeds aangehaalde uitspraak van het Johannes-evangelie; ”In den beginne was het Woord . . . en het is vlees geworden, leefde onder ons.” Het Wereldwoord, op aarde gebracht door Christus, Gods Zoon, is afgedaald uit de sterrenwerelden en planeten (stamt van nog hogere werelden, die zich in sterren en planeten uitdrukken), en heeft zich door de menselijke licha-melijkheden heen verdicht tot in het fysieke menselijke lichaam. Tegelijk bracht Christus aan de individuele mens zijn ‘Ik Ben’, dus het individuele ik als geestdruppeltje, ontwikkelingskiem. Dit wanneer bij de Jordaandoop de budhiduif (=levensgeest) op Jezus indaalt, waardoor deze tot drager van Christus wordt. Dit in het reeds zeer lang in de erfelijkheidsstroom voorbe-reide fysieke lichaam. Deze levensgeest (en op de zon door Christus achter-gelaten geestmens) is de reeds geworden mensenzoon. Johannes, doordat hij reeds het inspiratieve oor had geopend, pikt dit op; vandaar ook zijn uitspraak in het evangelie over het Wereldwoord dat al was voordat Het mens en aarde had geschapen.

Nu terug naar ons uitgangspunt. In de planeetsferen en sterrenbeelden staat dit Wereldwoord geschreven als ontwikkelingskiem, voordat Het zich in Christus op aarde belichaamt, als een plan voor mens- en wereldwording. Vanuit de vernieuwde sterrenwijsheid, de astrosofie (van Sofia, inzichts-kracht), kan men trachten deze Woordkrachten te ontcijferen. Via astrofonie, het gericht leren luisteren naar kosmische klanken en deze te begrijpen, en astrognomie, de in sterren en planeten, alsook in ieder verschijnsel en levend wezen vertoverde vorm-wilsgebaren leren herkennen als zijnde uit de sterren komende kiemen tot wording die men kan helpen bij hun ont-plooiing, kan men in het inleven en doen de ontwikkeling van de mens via de mensenzoon tot een volwaardig geestwezen helpen bewerkstelligen. In de sterren en planeten staat het oerbeeld voor de mens; van hieruit is onze wereld te begrijpen (moeder Sofia; astrosofie) en ook werkbaar te maken door in de werkingen zich in te leven (mensenzoon; astrofonie en -gnomie). De reeds meermalen beschreven methoden van samenzang en boetseren geven hier handvatten toe, werken vanuit het balancerende en op waarheid toetsende hart, en bieden zo veilige mogelijkheden tot groei van de mensen-zoon in zich, want dat gebeurt vanuit het balancerende, moreel toetsende midden.

En op deze wijze zijn ook vernieuwing van kunst en wetenschap te beschouwen doordat men de zin tracht te zoeken. Dit is een vorm van religie, want herverbindt de mens via de waarnemingen met de werkingen van de geest, en nu niet alleen meer door waarnemen en opbouw van inzichten in haar werkingen, maar ook door erin te kunnen gaan doen – de reeds beschreven morele technieken die het waarnemen in het doen bemogelijken doordat men een lichtetherhuidje om elk gemaakt zinvol gebaar kan ‘spinnen’ waarmee men kan waarnemen in de levenswerelden. Hiertussen, tussen waarnemen en doen, ligt het vrij scheppende kunstzinnige gebied. Door vrij scheppend in de objectief waargenomen werkingen in mens en natuur bezig te gaan, ontwikkelt men de vaardigheden in het doen met en vanuit kosmische werkingen en wetmatigheden, zonder dat men zich erdoor hoeft te laten beperken; door erin mee te kunnen gaan doen, maakt men juist veel meer kunstzinnig mogelijk.

Een vernieuwde hogeschool of universiteit is vanuit het oerbeeld van de mens en de daarin schuilende mogelijkheden tot omvorming van zijn zielefunkties denken, voelen en willen, op te zetten. Er ontstaat dan een drieledigheid, want:

– de omvorming van het denken die leidt tot geestelijk inzicht, geeft rechtvaardiging aan geesteswetenschap– dit wanneer men consequent de zin der verschijnselen wil zoeken – en niet anders kan concluderen dan dat die in en vanuit de geest stamt die inwerkt op de materie en tussenliggende zijnsbereiken. Men werkt dan aan het beeldbewustzijn, het schouwen ofwel de imaginatie. Met betrekking tot het Heilig Avondmaal heb je hier te maken met de Graalskelk. De planeet die hiermee samenhangt is Uranus

– de omvorming van het gevoelsleven tot helder-voelen, kan men bereiken door in kunst objectieve werkingen toe te passen en met en in de eigen ziel zich hier al scheppende en spelende mee uiteen te zetten. Kunst wordt dan tot wat men kan noemen objectieve kunst. Deze uiteenzetting kan niet anders dan leiden naar openen van nieuwe zintuigpoorten tot de werelden van leven en geest – mits men natuurlijk naar zinvolheid streeft en daarom de geest niet ontkent. Deze aanpak leidt tot het ontwikkelen van inspiratie, het leren waarnemen van de innerlijke sturing in processen vanuit het gevoel, en er al doende ook zelf de weg in leren vinden. In het Heilig Avondmaal was dit de wijn; de Graalssubstantie van het bloed dat transformeert. De planeet die hiermee samenhangt is Neptunus.

– de omvorming van het wilsleven kan men trachten te bewerkstelligen door zich al doende met de verschijnselen waartoe men zich aangetrokken voelt, af te vragen hoe het goede zich eruit kan ontwikkelen. Wat men hieruit kan ontwikkelen, is wat werd aangegeven met de term morele techniek; men oefent het goede in de dingen vanuit zichzelf te herkennen en bevorderen. Al doende opent men dan ook de waarnemingsorganen voor die ontwikkelings-wils-wordingskiemen in zichzelf en de dingen, en kunnen zich de mogelijkheden tonen tot verwezenlijking binnen de gegeven omstandigheden. Bij het Heilig Avondmaal was dit het brood als toekomstig lichaam van Christus, omdat hij door dood en opstanding heer van de aarde werd. De planeet die hiermee samenhangt is Pluto.

 

Op volgende wijze kan men de wetenschappen naar zintuigfunctie, stammend uit de dierenriem, beschouwen:

Ram                          – ik-zin                      – filosofie, theognomie

Stier                          – woordzin               – taal, logopedie, geologie

Tweelingen            – denkzin                 – wiskunde

Kreeft                       – tastzin                    – geschiedenis, vormleer

Leeuw                      – levenszin               – bestuurskunde, theoretisch natuurkunde

Jonkvrouw              – bewegingszin      – biologie, chemie, opvoedkunde

Weegschaal          – evenwichtszin     – psychologie, rechtsgeleerdheid

Schorpioen             – reukzin                   – economie

Boogschutter        – smaakzin              – diëtiek

Steenbok                – kijkzin                    – theologie, staatkunde

Waterman              – warmtezin            – sociologie, klimatologie (astronomie)

Vissen                      – gehoorzin             – musicologie

Deze zienswijze. die nog aanvulling en verfijning behoeft, geeft mogelijkheden tot indeling. Er kunnen vanuit de benadering vanuit de zintuigen ook nieuwe gebieden van onderzoek en wetenschap groeien, zoals verschillende huidige richtingen tot interdisciplinair onderzoek al tastend zoeken (bijvoorbeeld onderzoek naar levensstromen en krachtlijnen in wat wordt genoemd de geobiologie.

Door het zoeken naar zin in waarneming en denken, kan men de werkingen der engelhiërarchieën leren ontdekken, en kan wetenschap tot geesteswetenschap worden. Het waarnemen van deze wezens is een onderdeel van het vermogen tot geestesschouwen.

Om de in de verschijnselen waargenomen ideeën, wezens in zichzelf te leren herkennen en plaatsen,dient men zich ermee te verbinden vanuit het hart (de zintuigindrukken worden bemiddeld via de longen, -waar ze met zuurstof/levenskrachten verrijkt worden), en dat gebeurt door het kunstzinnig bezig zijn. In ons middengebied komen indrukken en gedachten, vanuit vooral het hoofd, samen met de wilsimpulsen en hartstoch-ten die van onderen uit de stofwisseling en organen opwellen. Door beide in het kunstzinnige spelen met verschijnselen (en gedachten die men erover heeft en vormt) en wat zij aan wilsimpulsen en -bestrevingen oproepen, uit te balanceren en zo bewust te kunnen worden, in vooral het gevoel, kan men zichzelf in de verschijnselen terug leren vinden, en ook af leren tasten wat men er scheppend mee wil gaan doen. In dit balancerende spel objecti-veert men de werkingen in en achter de verschijnselen en hun verankering in zichzelf. Vandaar de naam objectieve kunst, dat meer een wilsrichting van doen en onderzoek aangeeft dan dat het een truc of methode behelst.

Vaak wordt er in dit verband, vooral door kunstenaars, nogal heftig gereageerd op de term ‘objectieve kunst’, als zou kunst altijd subjectief zijn. Waar-nemen van de mens in zijn vier lichamelijkheden leert dat verschillende individuen bij waarnemen en kunstzinnig verwerken van eenzelfde ver-schijnsel, veelal komen tot eendere kunstzinnige uitwerkingen (zoals bij voorbeeld is beschreven bij de bloemvormen en gezongen intervallen in de klankbeelden bij samenzang, en deugdgebaren in vorm). Dit omdat men uit die werkingen in zijn lichamelijkheden is opgebouwd. Onderzoek naar die objectieve vorm-, kleur- en klanktaal geeft veel inzichten in het mensenwe-zen. Dit is een weg die niet iedereen wil bewandelen, want het kan licht het scheppend-kunstzinnige proces lijken te storen, vooral aanvankelijk. De wijze waarop ieder individu deze elementen in vorm, kleur en klank tot uit-drukking brengt is gelukkig zeer individueel, want gevormd vanuit het eigen ik en zielelichaam. De mate van objectiviteit van een kunstwerk bepaalt zijn intrinsieke waarde voor bredere groepen mensen, want daarin komen algemeen-menselijke werkingen en waarheden naar voren. Iedere serieuze kunstenaar weet dat hij enkel door sterke zelfscholing van ziel en vaardig-heden in de uiteenzetting met zijn waarnemingsobjecten, hetzij innerlijk, hetzij uiterlijk, tot groei en daarmee waarachtige schepping zal kunnen komen. Door de subjectieve ziel en individuele omvorming kan men komen tot meer universele, objectieve waarheden en werkingen. Dat dus kunst louter een subjectieve gevoelsuitdrukking van het eigen driftenleven zou zijn, gaat niet op en duidt eerder op innerlijke luiheid of weerstand van degene die dit uitspreekt.

Belangrijk is, dat dit scheppend-kunstzinnige middendeel als onderdeel van een hogeschool, niet strak is gestructureerd, maar mogelijkheden biedt om met de juiste vragen en wilsimpulsen in verschillende gebieden, kunstzinnig belevend en zich uiteenzettend, aan de gang te kunnen gaan. Methoden dienen daarbij eerder te zijn om vragen te wekken en prikkelen en de wegen in het eigen wezen te leren vinden, dan leertrucs (op deze wijze zijn de genoemde methoden van samenzang en boetseren werkzaam). Wel kan men trachten te komen tot een beschrijving van de verschillende kunst-zinnige terreinen en hun verbinding met de planeten en innerlijke orgaan-wereld, om bewustzijn te brengen in wat men wil onderzoeken en hoe, langs welke banen binnen het eigen wezen. De planeten vormen tezamen het zielsmatige van onze kosmos.

Daarom kan men tot een volgende indeling komen:

– maan                     – denken als voorstelling                       – architectuur (samen met Saturnus)

– Mercurius             – longproces als ruimtebeleving en verbinding  – plastiek, sociale kunst

– Venus                    – nierproces als onderscheidend       – schilderen, kleur/ contrastwerkingen

vermogen en bewustwording    van gevoelens

– zon                          – harteproces als inlevend, balan-     – acteren, totaaltoneel (waarin alle overige samenkomen)

cerend en sturend midden

– Mars                       – galproces, door daden ordenen                   – spraak en poëzie

en nieuwe ruimten scheppen

– Jupiter                   – leverproces, synthetiseren van                    – muziek

gedachten en impulsen tot harmonische composities

– Saturnus               – miltproces, vanuit herinnering,                   – grafische kunst, oppervlak-bewerking

verleden kiemen voor de toekomst zoeken te verwezenlijken

 

Ook hier zijn weer verdere verfijningen en aanvullingen mogelijk. Het belangrijkste is om door de verschillende kunstzinnige disciplines de eigen onderzoeksvragen te kunnen onderzoeken, en de wordings- en metamor-foseprocessen, in de ziel alswel in de te onderzoeken verschijnselen, te kunnen waarnemen als sturing. Dit scheppende middengebied biedt name-lijk mogelijkheden tot de geestgave van het bezinnen, het bewust in kunnen voelen van processen (door met het ik en zielelichaam af te dalen in het levenslichaam en diens processen), en kan leiden tot de ontwikkeling van de levensgeest, het inspiratieve bewustzijn. Dit bewustzijn, omdat het is gegrond in het hart waar het geweten huist, kan worden tot kracht waarmee men kan leren sturen in die levensprocessen. Elk van de beschreven disciplines kan dit op het eigen gebied trachten te ontwikkelen. Daarom is het voor een op te zetten hogeschool op deze basis bijzonder belangrijk dat deelnemers, wanneer deze zich met morele technieken gaan bezighouden die het goede in de verschijnselen, dingen en wezens tot verwezenlijking willen brengen, zich in en aan het kunstzinnige scholen, want

– zij verbinden zich daardoor met het object van onderzoek met het gevoel, het hart;

– zij toetsen het aan het geweten en de moraliteit alhier;

– zij leren hun eigen en in de dingen verscholen wilskiemen waarnemen in de metamorfose naar verwezenlijking; en, zeer wezenlijk,

– zij komen hun eigen tekortkomingen en schaduwkanten tegen.

Vooral dit laatste is belangrijk, want al doende kan men het inwezen, en daarmee de levenssturing der dingen en wezens leren ervaren, en ook misbruiken. Toetsing aan de eigen idealen, morele waarden tekortkomingen hierin is daarom een must voor beoefening van morele techniek.

Belangrijk hierbij is dat er op geen enkele wijze een waardeoordeel over een op te zetten kunstzinnige richting wordt gevormd, waardoor de ene als hoger of lager dan de andere kan worden afgeschilderd. Men kan namelijk elke kunst op een van de drie genoemde bewustzijnstreden beoefenen. Hier is getracht om kunstbeoefening in wat voor richting dan ook vanuit het inspiratieve, bewust meelevende bewustzijn te benaderen.

De techniek maakt werkingen toepasbaar; is dus een toepassing vanuit de levenswereld, daar waar bij ons de wil huist en aangrijpt. In de ho-roscopie, afbeeld van de sterren en planeten ten opzichte van een bepaalde plaats op aarde, hebben we dit wilsgebied aangeduid met de huizen van de horoscoop, twaalf in getal, als zijnde de afbeelden van de dierenriembeel-den in de levenswereld. Bij de mens worden in deze levens-wilsgebieden aangegeven met welke omstandigheden hij zich uiteen wil zetten om zich te kunnen ontwikkelen. Vanuit ritmevoeten en boetseren van hun wilsgebaren, welke men kan vergelijken met de eigen wilsrichtingen en de daarin sluimerende impulsen (dit door inlevende zelfobservatie), kan men met dit gebied in zichzelf in contact leren treden. Nu kan men in de verschillende technieken de tot wilssturing omgevormde inzichten/ideeën als toegepaste werkingen terugvinden. Technieken zijn dus afspiegelingen van de wils/ levensgebieden, en laten zich ook naar deze 12heid ordenen (overigens nogmaals: door zich op kunstzinnige wijze met de verschijnselen van onderzoek te verbinden, kan men de wilswerkingen toetsen aan het hart en geweten, en zo alleen kunnen zij worden tot morele techniek), Op volgende wijze:

 

Huis:    Werking:                                  Techniek:

 

I     Zelf-werkzaamheid, zelfuitdrukking           Wilssubstantie en ideeën als onderzoek

II    Zekerheid en waarden;                                   Economische werkingen en

omvorming van het aardse                             dynamieken; geotectoniek

III   Verbinding met de ander en omgeving,    Lestechnieken, journalistiek (informatica)

spiegeling

IV   Huis, omhulling, zorg                                        Fysica, chemie, bouwkunde, diëtiek

V    Zelfexpressie, sturing                                       Bestuurskunde, levenskrachttechnieken

VI   Vertering, analyse, processturing                Procesdynamica; therapeutische technieken (bv geneeskunde)

VII  De ander, organisatie,                                    Organisatiekunde, jurisprudentie, psychodynamica

samenwerking/verbinding                             /-therapie; kleurtechnieken

VIII  Werking, omvorming, kern van                  Dynamica (levende mechanica); wilssturing in levens-

werking zoeken, geslachtelijkheid                 processen; osmose; metamorfosekrachten

IX    Uitbreiding van bewustzijn;                          Bewustzijnsgroeitechnieken; propaganda/reklame,

ideaalbestreving, ideeëngoed                         organische chemie.

X     Rijping, plek in een geleding                         Koppelings- en hefboomtechnieken, architektuur,

nemen, aan het licht komen                           sol-geltechnieken, verdichting-verdunning

XI     Samenleving, sociale verbanden,              Sociale technieken, weerstechnieken (element-

ideaal-ademing                                              beheersing); theognomie

XII    Onderbewuste levenswereld;                    Opruimingstechnieken (ecologie)

oplossing en afbraak van zelfheid

 

Daar de beschreven morele technieken samenhangen met de mogelijk-heden tot ontplooiing van wilskiemen in zichzelf en de dingen (veelal kan-ten van hetzelfde proces ofwel wezen), en omvorming van de wil, kan dit leiden tot het intuïtieve bewustzijn, de geestmens in ons, het helder waar-nemen in de wil en doen vanuit de wens tot verwezenlijking. Reeds is aan-gegeven dat dit door de planeet Pluto op aarde wordt bemiddeld. Werken wij wilssubstantie om, dan ontwikkelen we zijn sfeer en vullen die op met bewuste levens-wilssubstantie. Scholing en omvorming van de wil is nog zeer moeilijk, en heden vrijwel uitsluitend door middel van het kunstzinnige spelen via het gevoel, wil het niet tot verstarring, moraliseren leiden, en het levenslichaam uitdrogen en verharden. Door het denken in het hart te brengen, voorkomt men die verharding.

Overigens kunnen er ook hier vele nieuwe technieken en techniek-rich-tingen ontwikkeld worden. Het bovenstaande schema is enkel bedoeld als blikrichter en aanduiding.

 

Op de bovenbeschreven wijze ontstaat een prototype voor een onderzoeksinstituut of onderwijsinstelling dat recht kan doen aan de gehele mens, want aansprekend op zijn zielefuncties denken, voelen en willen, als-ook de mogelijkheden biedend om de geestkiemen voor imaginatie, inspi-ratie en intuïtie te kunnen ontwikkelen:

*Dierenriem           – denken                  – van wetenschap naar geestwetenschap  (leidend tot imaginatie)

Theognomie als basisinsteek

*Planeten               – voelen                    – objectieve kunst die vanuit zieleprocessen doet en waarneemt

(leidend tot inspiratie)

*Huizen                   – willen                     – morele technieken die in en vanuit de levenswerelden

het goede trachten te verwezenlijken (leidend tot intuïtie).

 

Daarmee kan tevens duidelijk worden hoe de nieuwe mysteriën, gestart in kerst 1923 door Rudolf Steiner, een vervolg in de tweede en derde klasse zullen kunnen krijgen; dit door objectieve kunst en morele techniek te gaan beoefenen. De eerste klasse, vormgegeven binnen de antroposofie, leidt dan tot de geestwetenschap (de eerste en tweede trede van Goethe’s fenomenologie); de twee genoemde treden, voorheen samen de duisternismys-teriën genoemd, vullen de derde en vierde stap van Goethe’s fenomenologie verder aan en in.

Qua organisatie vergt dit ook een andere aanpak, want met het krijgen van inzicht in levensprocessen en hun sturing, dient men ook een morele belof-te aan medemens en godenwereld af te leggen, want het betreden van het gebied van de magie (levensmanipulatie) hoeft dan niet ver meer te liggen.

Bij het onderdeel pedagogie is al aangegeven hoe scholing in de verschillende levensfasen het beste kan worden aangepakt. Als basisregels voor een dergelijke onderzoeks/onderwijsinstelling kan men stellen:

– Niet de leerstof, maar de vragen van de deelnemers staan centraal. Deze dienen zo veel mogelijk te worden gewekt, en methoden worden aangereikt om tot zelfonderzoek en -ontwikkeling van het onderwerp te kunnen komen. Wat natuurlijk niet wegneemt dat docenten op inspirerende wijze van hun kennis, inzichten, weg en bevindingen kunnen overdragen.

– De vragen dienen uit het leven zelf voort te komen en hebben zo maatschappelijke of sociale relevantie (Dit is natuurlijk zeer rekbaar, bijvoorbeeld in het geval van astronomie).

– Ontwikkeling naar zin, dus geestrealisatie in zichzelf en de te onderzoeken verschijnselen.

– Sociaal begrip en respect voor elkaar en de onderzoekingen.

 

Toepassingen in het sociale

 

Om te kunnen waarborgen dat de onderzoeksvragen in en vanuit de samenleving komen, kan men ervoor zorgen dat er niet een sfeer van bolwerk of ivoren toren gewekt wordt. Eenieder kan immers onderzoeken naar aanleiding van de in zich levende vragen, ongeacht opleiding en achtergrond. Al valt natuurlijk niet te ontkennen dat beide een belangrijke factor zijn bij het hebben en wekken van vragen. Echter komt een handvaardig iemand evenzeer in de gelegenheid om vragen te hebben en stellen dan een opvoeder, huisvrouw of -man, of een intellectueel geschoolde. Het belangrijkste is dat men met de vragen die ontstaan op de werkvloer of in de leefomgeving niet te ver uit de buurt handvatten en feedback kan krijgen aangereikt. Heden gebeurt dat ten dele in buurt- en wijkcentra met cursus-aanbod, ontmoetings- en gespreksplatforms, en middels raadslieden met spreekuur. Belangrijk is de vrijheid van ontplooiing en initiatief. En dat betekent ook het aan laten sluiten van scholing op eigen interessesferen en vaardigheden (die voor een ambachtsman of -vrouw, kunstenaar en intellectueel op geheel verschillende gebieden liggen).

Nu kan men dergelijke onderzoeks- en onderwijsinstituten natuurlijk stimuleren, bijvoorbeeld door met een groep mensen waarmee men zich verbonden voelt, een samenwerkingsverband aan te gaan. Zoals beschreven bij sociologie, is de zevenledigheid daar een goede mogelijk-heid toe, omdat men op die wijze zich kan laten inspireren en leiden door een Aartsengel- of groepszielewezen. Vooral het onderdeel onderzoek hierin biedt mogelijk-heden tot uitbouw, in samenspraak met het onderdeel beleid, de denktank. Door met verschillende andere initiatieven, bedrijven en samenwerkings-verbanden associaties aan te gaan en de nodige geldstromen te sturen, kan men gerichter onderzoeks- en onderwijsinstellingen plaatselijk in het leven roepen (voor onderzoek dient de onderzoeker vrijgemaakt te worden van het economische voor de tijd van het onderzoek, want hij produceert dan niet direkt; er is dus een investering in hem voor de toekomst – een dergelijke instelling vraagt vertrouwen en hoop op resultaten). Dit voorkomt onnodige concurrentie en dubbel werk.

Overigens dient men in samenwerkingsverband terdege in te schatten dat men het te doen heeft met mensen met wie men zich karmisch verbonden weet, door gevoel en behoefte naar en met elkaar te doen (dit kan ook een vorm van strijd aannemen; het door de worsteling met elkaar tot heldere gedachteformulering trachten te komen – karma is niet altijd leuk en gemakkelijk). Zo niet, werkt men in en vanuit abstracte denksystemen (zoals dat in het voormalige Oostblok is uitgeprobeerd, in groeps- zowel als staatsverband), welke het gevaar hebben dat een niet-betrokken zijn van de mensen waarmee men moet samenwerken, oninteresse in de hand kan werken. Men weet niet wat men met elkaar moet.

Op bovenbeschreven wijze kan men trachten een school- en hogeschool-vernieuwingsimpuls te bewerkstelligen die recht kan doen aan het hele mensenwezen naar lichaam, ziel en geest, door de zielefuncties denken, voelen en willen als uitgangspunt voor geestesgroei te nemen en hun afspiegeling in het sociale organisme (de idealen vrijheid, gelijkheid en broederschap). Zo kan men wetenschap en kunst weer verenigen in het streven naar religie, het zich willen herverbinden met de godenwereld. Door het goede trachten te doen vanuit bewustzijn omtrent de dingen en zichzelf, dus door het beoefenen van morele techniek, kan men zelf weer de zintuigpoorten tot de levens- en hogere werelden openen, waarin Christus leeft en weeft.

 

Verkort overgenomen uit: Wetenschap Anders, Rune boek 1998.